De pleitnota in de zaak Henk Witteveen
vrijdag 19 november 2004
bron: SBHN
Neer, 18 november 2004
Edelachtbare,
Dat ik hier vandaag voor U moet verschijnen geeft mij toch een wat angstig gevoel, mijn vertrouwen in een Nederlandse rechtstaat is door deze hele vogelpestcrisis namelijk behoorlijk ondermijnd.
Maar ik blijf toch nog hopen op een goede afloop, vandaar dat u graag wil uitleggen waarom ik nog steeds niet het gevoel heb schuldig te zijn aan het mij opgelegde strafbare feit.
De opbouw van mijn betoog zal als volgt zijn:
A. Achtergronden;
B. Relevante Feiten;
C. Juridisch kader;
D. Conclusie;
Achtergronden;
De informatie die ik vanuit de media o.a. Internet, kranten en televisie heb kunnen vergaren in de A.I. periode voor er bij mij geruimd werd, hebben mij een duidelijk beeld gegeven dat deze voor Minister Veerman onmogelijk uit te voeren taak bijzonder veel maatschappelijke onrust teweeg zou brengen.
Persoonlijk heb ik na de ruiming op doktersadvies een week mijn werk niet kunnen doen.
De feiten heb ik allemaal verzameld in de ordner die ik U bij deze ter inzage wil overhandigen.
Relevante informatie;
Op 18 april 2003 was er hoogstwaarschijnlijk een vogelpest uitbraak in Neer (zekerheid of dit inderdaad vogelpest was heb ik tot nu toe nog niet) daarna is er geen vogelpest geval meer gemeld, derhalve ben ik er vanuit gegaan dat er geen sprake was en kon zijn van uitbreiding van de verspreiding, de incubatietijd voor deze vogelpest is volgens deskundigen op dit gebied max. 21 dagen.
Op 14 mei kreeg ik een folder thuis, geadresseerd aan de bewoners van dit pand waarin ik verzocht werd om mijn pluimvee aan te melden, let wel 27 dagen na de uitbraak van vogelpest in Neer en omgeving.
Ik nam mijn verantwoording en voldeed aan het verzoek om mijn kippen aan te melden maar ik zei er wel bij dat ik aan de ruiming welke zou volgen geen enkele vrijwillige medewerking zou verlenen.
Als de ruiming binnen de incubatietijd had gevallen had ik mijn verantwoording gekend en zondermeer mijn medewerking verleend.
Discussie met betreffende A.I.D ambtenaar bleek tijdverspilling te zijn.
Ik had mijn kippen vanaf die tijd wel opgehokt, in een ruimte van 1.20 m bij 2.00 m. gebouwd met de bedoeling slechts als nachthok te dienen en derhalve ook ruim voldoende, maar als dagverblijf met een buiten temperatuur van ca 25 graden uit diervriendelijk oogpunt gewoon niet kan (kippen geven uit zichzelf al bijzonder veel warmte)
In de overtuiging dat dit niet lang zou duren en dat ruiming zeer snel zal volgen heb ik dit ophokbeleid tot 6 juni volgehouden.
Mocht de Dierenbescherming in een normale periode deze ophoksituatie bij mij aantreffen dan zou ik terecht een proces-verbaal krijgen.
Op 25 mei 2003 verkaart LLTB op T.V (L1) dat er geen Vogelpest meer in Limburg is ofwel “Brand Meester” de incubatietijd werd hierbij mijns inziens in meegenomen.
11 Juni voltrekt zich bij mij de ruiming.
Juridische aspecten;
Op grond van Richtlijn no.85/511/EEG jo. Art 15 lid 4 van de gezondheids- en Welzijnswet voor dieren (GWD) bepaald het Besluit verdachte dieren van 15 juli 1994 wanneer de dieren als verdacht worden aangemerkt.
Op grond van art. 5 lid 1 sub.bb van voornoemd besluit blijven dieren, die op grond van artikel 2 onderdelen b of c als verdacht worden aangemerkt, deze status behouden gedurende een periode van 21 dagen, getuige dat de op 11 juni bekende feiten dat er op 18 april vogelpest uitgebroken was in Neer had de A.I.D geen enkele grond om dit handelen te rechtvaardigen.
Weliswaar bepaalt lid 3 van hetzelfde artikel dat de Minister kan bepalen dat de dieren gedurende een andere termijn verdacht blijven, maar bij het nagaan van de voorhanden zijnde regelgeving heb ik niet kunnen vinden dat er van een afwijkende termijn sprake was.
Aangezien mijn kippen op 11 juni op grond van voorgaande geen ziekteverschijnselen vertoonden, kan ik niet anders concluderen dan dat de A.I.D. door het doden van mijn kippen in strijd met de wet heeft gehandeld.
Anders gezegd: het staat als een paal boven water dat de wet niet toestaat dat, zonder dat er van ziekteverschijnselen sprake is, louter en alleen op grond van een criterium van afstand tot een besmet bedrijf, dieren als verdacht worden aangemerkt en de daarop gegronde maatregel van doding wordt genomen.
Ik wijs u hierbij ook op artikel (GWD) 36 lid 1 van de wet dat een verbod bevat om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.
Conclusie:
Een overheid die:
-
Zich heeft laten verleiden om (AMA) in dienst te nemen onder de naam F. Vogelpest met 1 SOFI nummer is op zichzelf al strafbaar.
-
Een in Nederland verboden desinfectiemiddel verstrekt aan particulieren waarvan het pluimvee geruimd is.
-
Het doelbewust verspreiden van leugens ( het moet van Brussel) aanvoert om dit te beleid rechtvaardigen.
-
De feiten en adviezen die deskundigen (Universitair) op dit gebied naar voren brengen naast zich neerlegt.
-
De bestuurlijke kant in deze zaak, door al deze tegenstrijdigheden voor een normaal denkend mens totaal ondoorzichtbaar maakt en toch navolging afdwingt en ook verwacht.
Door onze Minister-President wordt benadrukt dat wij NORMEN en WAARDEN hoog in het vaandel dienen te dragen en dat wanneer een overheid fouten maakt het de plicht van de burger is om de overheid hierop te wijzen.
Ik heb mij deze woorden aangetrokken en gedaan waarvan ik dacht dat ik dat moest doen, nu sta ik hier voor U met als enig crimineel feit dat ik mijn kippen (die ten dode waren opgeschreven) iets te vroeg, nog even heb kunnen laten genieten van een leven waar dieren recht op hebben.
Edelachtbare Uw oordeel in deze zal ongetwijfeld deskundig zijn.
Hoogachtend;
H. Witteveen.
naar boven